demo-demo
Image Decription

Kostenberekening asielmigratie

 



Inleiding

De berekening van de kosten voor asiel is gebaseerd op het CPB-rapport Immigration and the Dutch Economy door Roodenburg, Euwals, & Ter Rele uit 2003 (hierna kortweg CPB 2003). In hoofdstuk 4 van dit rapport worden leeftijdprofielen opgesteld voor de nettobijdrage van immigranten aan de publieke sector. Hierbij worden drie typen immigranten onderscheiden, namelijk de immigrant met de karakteristieken van de gemiddelde Nederlander (average Dutch), de immigrant met de karakteristieken van de gemiddelde niet-westerse allochtoon (non-Western) en een hypothetische highly performing immigrant met bovengemiddeld goede karakteristieken. De meest bepalende karakteristieken betreffen het inkomen, de arbeidsparticipatie en het uitkeringgebruik. Voor de berekening van de kosten van asielmigratie is het kostenprofiel van de gemiddelde niet-westerse immigrant als uitgangspunt genomen.

 

Data extractie uit grafieken

Inspiratie voor de hieronder gegeven berekeningen werd onder andere gevonden in het document Appendix to Discussion Paper 170, Lifetime Generational Accounts for the Netherlands. Voor een actuelere berekening zouden eigenlijk de berekeningen die ten grondslag liggen aan Hoofdstuk 4 van Immigration and the Dutch economy gereproduceerd en geactualiseerd moeten worden. Er is veel publiek toegankelijk materiaal dat als vertrekpunt en inspiratiebron zou kunnen dienen te vinden op https://www.cpb.nl/en/article/files-accompanying-technical-appendix-cpb-discussion-paper-170. Dit is echter gezien als een veel te omvangrijke taak voor het onderhavige project. Vandaar dat voor de hier beschreven methode is gekozen.

Voor de berekening van het netto-effect op de overheidsfinanciën als functie van de leeftijd bij binnenkomst van een immigrant is een model geschat op basis van grafieken uit Hoofdstuk 4 van CPB (2003). Met dit model kan het genoemde netto-effect worden berekend bij alternatieve veronderstellingen over de arbeidsmarktperformance van de immigrant. Concreet is de data uit Figuur 4.1 t/m 4.4 en uit Figuur A.3.1. gehaald. Hiervoor is een sampling procedure geschreven die de getallen uit de grafieken in de rapporten kon halen door deze om te zetten naar een Windows bitmap. Het bleek mogelijk om de accuratesse van deze procedure intern te controleren door afbeeldingen te vergelijken. Zo is Figuur 4.1 in het CPB 2003 het verschil tussen Figuur 4.2 en Figuur 4.3. De sampling bleek over het algemeen heel nauwkeurig te zijn. Met dergelijke technieken is een deel van de informatie uit grafieken geëxtraheerd die elders niet (volledig) was te vinden. In onderstaande afbeelding is dit geïllustreerd voor de sampling van Figuur A.3.1 uit CPB 2003. De zwarte lijn is de lijn uit de pdf van het rapport en de rode stippen zijn de samplewaarden, voor elke leeftijd één. Op basis van schaalinformatie van de gebruikte Windows bitmap van de afbeelding produceert de procedure vrijwel perfecte samplewaarden.

 

 

Het model

Vervolgens is op basis van de gegevens in het CPB-rapport het volgende model opgesteld:

    \( GAP^G_L = \sum\limits_{k=L}^{99} \left( \frac{1+g}{1+r} \right) ^{k-L} \cdot \frac{O_k}{O_L} \cdot \frac{B_k}{B_L} \cdot \left( NET_k^G + PEN_k \right) + INB_L \)   (1)

Met

    \( PEN_k = 0 \)    voor \( k \leq 20 \)   (2.1)

    \( PEN_k = P_0 \cdot W^G \cdot \frac{TAX^G_k}{TAX^G_{48}} + P_2 \)    voor \( 20 < k \leq 64 \)   (2.2)

    \( PEN_k = P_1 \cdot W^G \cdot \left( \frac{65-L}{45} \right) + P_3 \)    voor \( k \geq 65 \)   (2.3)

En met

    \( INB_L = -Max(2, Min(7 + (L - \lfloor P_5 \rceil ) * |P_4|)) \)    voor \( L \leq \lfloor P_5 \rceil \)   (3.1)

    \( INB_L = -7 \)    voor \( L > \lfloor P_5 \rceil \)   (3.2)

Hierin staat:
  1. \( GAP^G_L \) voor de netto-bijdrage aan de overheidsfinanciën door een immigrant uit Groep \( G \) die leeftijd \( L \) heeft op het moment van immigratie;
  2. \( g \) voor de productiviteitsgroei;
  3. \( r \) voor de discount rate;
  4. \( O_k \) voor de overlevingsfractie van leeftijd \( k \), \( O_0 = 1 \);
  5. \( B_k \) voor staat voor de fractie nog in Nederland verblijvende immigranten van leeftijd \( k \), \( B_0 = 1 \);
  6. \( NET^G_k \) voor de netto-bijdrage aan de overheidsfinanciën door een immigrant uit Groep \(G\) op leeftijd \( k \);
  7. \( PEN_k \) voor een correctieterm met betrekking tot de pensioenopbouw en aftrekbaarheid van pensioenpremies;
  8. \( W^G \) voor een wegingsfactor met betrekking tot het pensioen;
  9. \( TAX^G_k \) voor de belasting afgedragen door een immigrant uit Groep \(G\) in jaar \( k \);
  10. \( INB_L \) de kosten voor de inburgering voor een immigrant die op leeftijd \( L \) immigreert;
  11. \( P_1 ... P_5 \) voor de te schatten parameters.

Ad 1. Dit correspondeert met Figuur 4.4 van CPB 2003. GAP staat voor Generational Accounting Profiel.
Ad 2. Volgens voetnoot 12 CPB 2003 is dit 1,75%.
Ad 3. Volgens voetnoot 12 CPB 2003 is dit 4%.
Ad 4. Gebaseerd op de tafelbevolking levenden voor 2003 uit CBS-Statline. Merk op dat dit een proxy is, omdat zo geen rekening wordt gehouden met toekomstige verandering van sterftekansen. In het demografisch model dat gebruikt is voor berekeningen en grafieken elders op deze website wordt dit overigens wel gedaan (ook voor de kostenberekening). Dit model is gebaseerd op de CBS-prognoses van de sterftekansen tot 2060. De Proxy leidt tot lichte onderschatting van de expenditures zoals gegeven in Tabel 4.3 CPB 2003, zie ook hieronder voor een afbeelding.
Ad 5. Dit is een tafelbevolking van nog in Nederland verblijvende immigranten gebaseerd op de emigratiekansen zoals gegeven in Figuur A.3.1. uit CPB 2003.
Ad 6. Dit correspondeert met Figuur 4.1 van CPB 2003.
Ad 7. Formule 2.3 heeft te maken met gedeeltelijke pensioenopbouw door kortere verblijfsduur. Formule 2.2 is toegevoegd i.v.m aftrekbare pensioenpremies die gerelateerd worden aan een genormaliseerd belastingafdrachtprofiel. Er is bij benadering genormaliseerd door te delen door de afdracht op 48 jaar (rond die leeftijd ligt het maximum).
Ad 8. Waarden voor deze wegingsfactor overgenomen uit Tabel 4.1 van CPB 2003.
Ad 9. Dit correspondeert met Figuur 4.2 van CPB 2003.
Ad 10. Inburgering. CPB 2003 zegt hierover: "These costs are assigned to immigrants who are older than the school going ages and amount to 7000 Euros per person." Dit is niet zo concreet en een keuze voor een bepaalde leeftijd leidde tot een knik in de curve. Vandaar dat hiervoor een grensleeftijd is geschat (met de factor \( \lfloor P_5 \rceil\)) als ook een parameter voor een geleidelijke overgang.

 

Merk op dat de gefitte profielen voor entreeleeftijden boven de 50 jaar niet vergeleken kunnen worden met de CPB profielen omdat deze data niet voorhanden is in CPB 2003. Dit is echter geen heel groot probleem omdat in de gebruikte immigratieprofielen het overgrote deel van de immigranten voor het 50e levensjaar immigreert.

 

 

Schatten van het model

Dit model is vervolgens geschat met gebruik van een kleinste kwadraten methode, door de uitkomst \( GAP^G_L \) bij een gegeven set parameters \( P_1 ... P_5 \) voor de jaren \( 0 < L \leq 50 \) voor de schattingen van de drie profielen average Dutch, non-Western en highly performing een kwadratensom te bereken voor de afstand tot de overeenkomstige CPB-profielen. De parameters zijn vervolgens met een genetische algoritme geoptimaliseerd. Dit leverde een goede fit op (zie afbeelding boven). Hierbij is gecontroleerd of de totale uitgaven voor expenditure (zie onderstaande Tabel 4.3 uit CPB 2003) goed werden benaderd. Dat bleek zo te zijn.

Voor immigranten met de karakteristieken van de (toenmalige) gemiddelde niet-westerse allochtoon liggen de kosten het gunstigst voor mensen die op een leeftijd van rond de 25 jaar immigreren: gecorrigeerd voor inflatie (2003 - 2017) zo'n 50 duizend euro. Voor kinderen onder de tien liggen de kosten gecorrigeerd voor inflatie ruwweg tussen 120 en 140 duizend euro. In het gehanteerde immigratieprofiel is ongeveer de helft van de immigranten 25 jaar of jonger. Volgens het geschatte model liggen de kosten voor mensen die op leeftijden tussen 53 en 91 jaar immigreren gecorrigeerd voor inflatie in de range 150 tot 210 duizend euro. Deze hoge bedragen betreffen maar een klein deel van de immigranten, want in het gehanteerde immigratieprofiel is slechts ongeveer 5% ouder dan 50 jaar.

Bron: Immigration and the Dutch economy, CPB 2003

 

Aanpassen van BNP-gerelateerde kosten

Vervolgens is het model aangepast voor wat betreft de toewijzing van de kosten van publieke goederen. Deze aanpassing is gedaan op basis van onderstaand citaat uit Immigration and the Dutch economy:

“It should be noted that the results presented above are sensitive for the (inevitably arbitrary) way the pure public goods (defence, etc.) are assigned. Our approach, which assigns values that correspond to the contribution to GDP, deviates from the way this is done in other studies. Storesletten (2000 and 2003) and Bonin et al. (2000) assign equal values to all residents, either immigrant or native. This approach would lead to lower net contributions for those immigrants that have weaker characteristics than the natives and higher contributions for those with better characteristics.”

Wat het CPB heeft gedaan komt in principe neer op het toeschrijven naar rato van de bijdrage aan het BNP van publieke goederen (zoals onder andere veiligheid in de vorm van justitie, defensie, dijkbewaking, enzovoort). Aan de ene kant kan men argumenteren dat iemand die veel bijdraagt aan het BNP en in een villa achter een dijk woont materieel meer te verliezen heeft dan iemand die weinig bijdraagt aan het BNP en in een sociale huurwoning achter diezelfde dijk woont (al maakt het weinig verschil als beiden het leven verliezen). Maar andersom kan men bijvoorbeeld ook argumenteren dat (om bij het voorbeeld van veiligheid te blijven) bepaalde immigrantengroepen ook onevenredig aanleiding geven tot kosten voor justitie, misdaad- en terrorismebestrijding en dergelijke. En omdat er gewicht in beide kanten van de weegschaal ligt is een keuze voor het midden eigenlijk logischer dan een keuze voor een van beide kanten.

Daarnaast is de in CPB 2003 gehanteerde toerekening van de kosten voor publieke goederen - die in andere contexten wellicht heel passend is - op een bepaalde manier niet logisch als men generational accounting gebruikt om te bepalen wat het nut is voor de ingezetenen van het toelaten van een immigrant met bepaalde karakteristieken. Bij een immigrant die veel beter presteert dan de gemiddelde Nederlander zegt men in feite: deze migrant heeft groot (fiscaal) nut voor de ontvangende samenleving en kan derhalve ook extra bijdragen aan de bekostiging van de publieke goederen en daarom brengen we bij de berekening van het totale nut die extra bijdrage in mindering. Dat is paradoxaal. Bij immigranten die ondergemiddeld presteren geldt de tegengestelde maar even paradoxale redenering.

Er valt dus veel voor te zeggen om de genoemde studies van Storesletten en Bonin te volgen en gebruik te maken van een voor alle inwoners gelijke toewijzing van BNP gerelateerde kosten. Dat is gedaan voor de nieuwe profielen. In de praktijk is de gelijke toewijzing van BNP gerelateerde kosten uitgevoerd door op basis van Tabel 4.2 en Tabel 4.3 uit CPB 2003 correcties uit te voeren. De BNP gerelateerde kosten voor profiel highly performing zijn verminderd met 38% van 79 duizend voor 0-jarigen en 38% van 165 duizend voor 25-jarigen. Voor de overige profielen is de post ‘GDP-related’ in Tabel 4.3 (zie bovenstaande afbeelding) gelijkgeschakeld met die van het profiel average Dutch (79 duizend voor 0-jarigen en 165 duizend voor 25-jarigen. Deze aanpassing levert nieuwe waarden op voor de totale expenditures voor 0-jarigen en 25-jarigen voor profielen non-Western en highly performing. Dit is gedaan door bij de nettobijdrage \( NET_k^G \) als volgt een constante \(C_k\) op te tellen:

   \( C_k = 0\) voor \( k < 15 \)

   \( C_k = \left( \frac{k - 14} {10} \right) \cdot P_6 \) voor \( 15 \leq k < 25 \) 

   \( C_k = P_6\) voor \( k \geq 25 \)

waarbij de parameter \(P_6\) weer met een kleinste kwadratenschatting wordt bepaald waarbij de afstand tot de nieuwe waarden van de expenditures wordt geminimaliseerd. (Een alternatief zou zijn om een voor \( 0 \leq k \leq 99 \) de functie \( P_6 \cdot \frac{TAX^G_k}{TAX^G_{48}} \) af te schatten). Het effect van deze aanpassing is in onderstaande afbeelding te zien. De berekende bijdrage van goed presterende immigranten wordt nog beter en de bijdrage van slecht presterende immigranten wordt nog slechter.

 

 

Aanpassen van transfers en tax voor asielmigranten

Asielmigranten hebben een slechtere arbeidsmarktperformance dan de gemiddelde niet-westerse immigrant uit 2003. De gemiddelde niet-westerse immigrant had in 2003 een netto arbeidsparticipatie van 49%, terwijl de uitkeringsafhankelijkheid begin 2003 ongeveer 25% was. Voor het opstellen van een profiel voor asielmigranten wordt gekeken in hoeverre asielmigranten afwijken van deze karakteristieken van de gemiddelde niet-westerse immigrant uit 2003. NB: het uitgangspunt is dus de arbeidsmarktprestaties van de gemiddelde niet-westerse immigrant uit 2003, dus of de gemiddelde niet-westerse immigrant op dit moment beter of slechter presteert is voor de onderhavige berekening niet relevant.

In onderstaande afbeelding is te zien dat asielmigranten veel minder vaak werken en en in hoge mate afhankelijk zijn van een uitkering. Daarnaast zijn asielmigranten aan het begin van hun verblijf in Nederland vaak nog afhankelijk van de asielopvangregeling (dit verklaart het grote percentage in de categorie 'overig zonder inkomen'). Feitelijk zal aanvankelijk vrijwel iedereen die niet werkt afhankelijk zijn van de overheid.

 

Hierbij dient opgemerkt te worden dat de asielmigranten een slechte start hebben als het gaat om de arbeidsmarktperformance en dat dit vanwege het verdisconteren relatief zwaar weegt. Dit is een groot verschil met arbeidsmigranten die aanvankelijk juist relatief veel werken en pas geleidelijk vaker in de uitkering terecht komen. Veronderstellen we bijvoorbeeld in onderstaande figuur de arbeidsparticipatie constant na 10 jaar en de gemiddelde leeftijd bij binnenkomst op 30 jaar (wat redelijk is gezien het immigratieprofiel) dan is bij een constant loonniveau en een discontovoet van 2% of 3% de contante waarde van de gegenereerde belasting 1 à 2 % lager dan het gemiddelde over die periode. Bij de uitkeringsafhankelijkheid is de afwijking in dezelfde orde van grootte, maar dan juist hoger.

Dit alles in overweging nemende wordt voor de in Nederland blijvende asielmigranten de uitkeringsafhankelijkheid geschat op circa 59% en de participatie op 30%, dit alles na verdiscontering gemiddeld over de resterende verblijfsduur zoals hierboven beschreven. De uitkeringsafhankelijkheid ligt daarmee ongeveer 2,4 maal hoger dan bij de gemiddelde niet-westerse allochtoon uit 2003 (25%). De participatie ligt op circa 62% van de participatie van de gemiddelde niet-westerse allochtoon uit 2003 (49%).

Zie voor verdere ondersteuning voor deze empirische invulling van de posten transfers en tax het Jaarrapport integratie 2016 (met name de tabellen in Paragraaf 1.4 t/m 1.6) en WRR-Policy Brief 4 Geen tijd verliezen (met name Tabel 1 en Figuur 3) die inzicht geven in de grote armoede en overconsumptie van sociale zekerheid relatief aan de vier klassieke niet-westerse groepen.

Vervolgens moeten op basis van bovenstaande cijfers een schatting worden gemaakt van de relatieve tax en transfers van asielmigranten ten opzichte van de gemiddelde niet-westerse allochtoon uit 2003. Als proxy voor de tax wordt het product van arbeidsparticipatie en inkomen genomen. Omdat het inkomen van asielmigranten relatief laag is (zie bijvoorbeeld deze publicaties van CBS en Vluchtelingenwerk), wordt geschat dat het inkomen van asielmigranten op ongeveer 93% van dat van niet-westerse immigranten ligt. Daarmee ligt de afgedragen belasting ongeveer 42,5% lager dan dat van de gemiddelde niet-westerse allochtoon uit 2003 zal bedragen. Om die reden wordt hiervoor een range van 40% tot 45% gekozen. 

Voor de post transfers is het nodig om te schatten hoe de kosten voor uitkeringen zich verhouden ten opzichte van de kosten voor inkomensafhankelijke toeslagen en dergelijke en de kosten voor de AOW. De inkomensafhankelijke regelingen zijn uiteraard  gerelateerd aan armoede en armoede is relatief hoog onder asielmigranten en bovendien ook indirect gerelateerd aan uitkeringsafhankelijkheid. Daarom is het redelijk te veronderstellen dat de kosten voor dergelijke regelingen hoger zullen zijn voor asielmigranten. De post AOW (en aanvullingen op de AOW voor migranten met een korte verblijfsduur) is daarentegen min of meer constant en het aandeel van deze post in de totale transfers zal derhalve niet wezenlijk anders zijn voor asielmigranten ten opzichte van de gemiddelde niet-westerse allochtoon uit 2003.

Om het totale effect van een hoger uitkeringgebruik op de totale transfers te schatten is gebruik gemaakt van de informatie in bovenstaande figuur die afkomstig is uit een CPB-studie van Lever & Waaijers uit 2013. Door de verschillende inkomensbronnen vanaf een leeftijd van 25 jaar te verdisconteren met dezelfde discountfactor, sterftekansen en emigratiekansen als in CPB 2003 en vervolgens de corrigeren voor de cumulatieve inflatie in de periode 2003-2004 kon de contante waarde van elke bron uitgedrukt worden in euro's van 2003. Dit is in onderstaande tabel weergegeven in de tweede kolom. Hierbij is voor de post AOW een naar huishoudensamenstelling en leeftijdsgroep gewogen gemiddelde genomen van de bruto bedragen uit 2003 van 9257 euro aangehouden en zijn alle pensioenen uitgekeerd voor het 65e levensjaar aangemerkt als 'VUT'. Bij VUT is op basis van CBS-data geschat dat niet-westerse allochtonen ongeveer half zo vaak in de VUT zitten als autochtonen.

Voor inkomensafhankelijke toeslagen is uitgegaan van de posten zorgtoeslag, huurtoeslag en kindgebonden budget voor 2013 in deze CBS maatwerktabel, gecorrigeerd voor inflatie (2003-2013) en het aantal personen per huishouden. Een alternatief zou zijn berekening over alle inkomensafhankelijke regelingen, maar gekozen is voor gebruikte dataset vanwege de mogelijkheid om op basis van de inkomensdecielen te schatten in welke mate asielmigranten naar verwachting afwijken voor wat betreft de consumptie van inkomensafhankelijke regelingen. Deze berekening heeft plaatsgevonden op basis van inkomensgegevens van het CBS en Vluchtelingenwerk laat zien dat het beslag van asielmigranten op deze regelingen ongeveer 1,03 maal hoger is dan van niet-westerse immigranten. Om die reden wordt een range van 1,0 tot 1,1 gekozen.

Voor de categorie niet-westers is het totaal van uitkering, AOW, VUT en toeslagen volgens deze schatting 122 duizend euro en dat ligt dicht bij de post transfers voor 25-jarigen in Tabel 4.3 uit CPB 2003 (zie hierboven). Door vervolgens gewichten toe te kennen aan elk van deze posten volgens een laag, midden en hoog scenario zijn factoren uitgerekend tussen de hoogte van de post transfers voor de gemiddelde niet-westerse allochtoon uit 2003 en de asielmigrant bij een immigratieleeftijd van 25 jaar. Deze factoren liggen in een range van 1,5 tot 2,0.

Resumerend: om op basis van het CPB-profiel non-Western te komen tot een profiel voor asielmigranten moet de post voor transfers worden aangepast. Dit geldt ook voor de ontvangen tax die veel lager zal zijn vanwege de lagere participatie en loonniveau. Omdat zoals hierboven is gebleken het niet eenvoudig is om dit exact te schatten zonder gedetailleerde microdata zijn voor beiden een laag, midden en hoog scenario opgesteld.

Voor transfers zijn de gekozen getallen 150%, 175% en 200% van de transfers voor de gemiddelde niet-westerse migrant uit 2003. De aanname over hogere transfers levert nieuwe waarden op voor de totale expenditures. Deze aannamen zijn verwerkt door bij de nettobijdrage \( NET_k^G \) als volgt een constante \(C_k\) op te tellen:

   \( C_k = 0\) voor \( k < 15 \) en voor \( k \geq 65 \)

   \( C_k = \left( \frac{k - 14} {10} \right) \cdot P_7 \) voor \( 15 \leq k < 25 \) 

   \( C_k = P_7\) voor \( 25 \leq k < 65 \)

waarbij de parameter \(P_7\) weer met een kleinste kwadratenschatting wordt bepaald waarbij de afstand tot de nieuwe waarden van de expenditures wordt geminimaliseerd.

Voor tax zijn de gekozen getallen 40%, 42,5% en 45% minder tax dan de gemiddelde niet-westerse migrant uit 2003 afdroeg door het effect van een lagere arbeidsparticipatie en een lager loonniveau. Hier is dit verwerkt door van de nettobijdrage \( NET_k^G \) een overeenkomstig deel van \( TAX_k^G \) af te trekken. Dat is een proxy omdat voorbij wordt gegaan aan een aantal subtiliteiten zoals bijvoorbeeld het verschil tussen directe en indirecte belastingen, de effecten van een progressief belastingstelsel, enzovoort. Een exactere berekening valt buiten het bestek van de huidige rekenexercitie.

 

Overige aanpassingen

Verder zijn nog een aantal aanpassingen gedaan. Allereerst zijn de emigratieprofielen aangepast. Het oorspronkelijke profiel van het CPB is vervangen door een nieuw profiel voor niet-westerse immigranten berekend op basis van CBS-statline data over 2012-2016. Dit emigratieprofiel is daarna gekalibreerd op een cumulatieve 40% terugkeerkans na 10 verblijfsjaren. Zie ter illustratie de afbeelding hieronder, die betrekking heeft op alle asielmigranten, dus ook westerse asielmigranten. Asielmigranten is niet hetzelfde als statushouder, dus mogelijk levert dit een onderschatting van de kosten op.

Het kalibreren heeft plaatsgevonden op basis van een immigratieprofiel berekend voor niet-westerse immigranten op basis van CBS-statline data over 2012-2016. Ook de sterftekansen zijn geactualiseerd door uit te gaan van de levenden tafel 2016 (nogmaals, dit is een proxy). Verder rekent het CPB inmiddels met 3% discount en 1,5% productiviteitsgroei en dit is ook aangepast. Tot slot zijn alle bedragen gecorrigeerd voor een cumulatieve inflatiefactor van 1,244711.


Resultaten

Hieronder de resultaten voor de kosten van asielmigratie voor de verschillende scenario's van aanpassing van tax en transfers ten opzichte van het profiel non-Western uit CPB 2003. De kosten voor de eerste generatie zijn gewogen naar het eerder genoemde immigratieprofiel berekend voor niet-westerse immigranten op basis van CBS-statline data over 2012-2016.

De kosten voor de tweede generatie hangen in de eerste plaats af van de mate van integratie. Voor wat betreft de mate van integratie houdt CPB 2003 50% aan voor de 2e generatie en 100% voor de derde generatie. Volgens het Jaarrapport Integratie 2016 (i.h.b. de statistieken over inkomen en uitkeringgebruik, maar zie bijvoorbeeld ook deze statistieken over huishoudeninkomen en uitkeringgebruik) laat de integratie van de tweede generatie een gemengd beeld zien. Wat arbeidsparticipatie en inkomen betreft is de vooruitgang van 1e naar 2e generatie niet zo groot. Wat betreft uitkeringgebruik is de vooruitgang wel groot. Een factor van belang hierbij is dat er vertekening optreedt omdat de toegang tot de WIA voor mensen nu veel lastiger is dan enkele decennia geleden, waardoor ouderen en dus ook de 1e generatie oververtegenwoordigd zijn in dit type uitkering.

Het is niet eenvoudig om de mate van integratie te berekenen. Berekening op basis van het Jaarrapport Integratie 2016 levert het volgende op (zie onderstaande afbeelding). Nemen we voor tax als proxy het product van inkomen en participatie dan is de vooruitgang van 1e naar 2e generatie 15% als we autochtonen als referentiegroep nemen. Voor wat betreft het totaal van uitkeringen is de vooruitgang 95%. Transfers hebben echter ook betrekking op inkomensafhankelijke toeslagen en subsidies en juist op het gebied van inkomen is de vooruitgang met de eerder genoemde 15% gering. Bij de inkomensafhankelijke transfers gaat het om aanzienlijke bedragen (vergelijk ook deze data) zeker als men meeweegt dat door het verdisconteren en de remigratie en sterftekansen de grotendeels invariante AOW voor 0-jarigen en 25-jarigen eigenlijk maar beperkt meeweegt. Geeft men de transfers mbt uitkeringen afgerond (zie deze tabel) het gewicht 0,6 en de inkomensafhankelijke transfers en invariante transfers (AOW) voor 25-jarigen beiden samen het gewicht 0,4 dan zou de gewogen mate van integratie voor wat betreft transfers voor 25 jarigen 60% bedragen.

Daar komt bij dat voor een 25-jarige een progressie richting de gemiddelde Nederlander bij tax betrekking heeft op een te overbruggen absoluut verschil van 368 - 215 = 153 duizend euro en bij transfers op een absoluut verschil van 120 - 84 = 36 duizend euro. Overbrugd moet worden het absoluut verschil van 76 - -43 = 119 duizend euro tussen de profielen average Dutch en non-Western. Enig rekenwerk levert op dat 15% toename in Tax een plus oplevert van 23 duizend. De afname van transfers bedraagt bij 95% integratie 34 duizend en bij 60% integratie 28 duizend. De totale vooruitgang is dan 57 duizend respectievelijk 51 duizend en dat is op een te overbruggen verschil van 119 duizend 48% respectievelijk 43%. De aanname van 50% integratie die het CPB hanteert lijkt dus een lichte overschatting te zijn. Voor asielmigranten verloopt de integratie van de tweede generatie mogelijk anders. In ieder geval is het mogelijk dat ze geen of minder hinder zullen ondervinden van de asielprocedure dan hun ouders en daarom ceteris paribus wellicht iets sneller zullen integreren dan reguliere immigranten, dit temeer daar de te overbruggen afstand tot de prestaties van autochtonen ook relatief groot is. Tot slot is noemenswaard dat er grote verschillen zijn tussen herkomstgroepen getuige de gegevens over schoolprestaties van asielkinderen.

 

Verder hangen de kosten voor de tweede generatie af van de remigratiekansen. Op basis van de CBS publicatie bevolkingsprognose 2014-2060 veronderstellingen-migratie, Figuur 3.2.1 wordt de remigratiekans voor 2e generatie niet-westerse allochtonen geschat op 8 op de duizend en dat resulteert in een 10-jaars cumulatieve remigratiekans van \( 1 - (1-0,008)^{10} \approx 8\%\). In onderstaande tabel is daarom uitgegaan van een 10-jaars cumulatieve remigratiekans van 8%. Een lagere remigratie leidt tot hogere kosten omdat de kosten voor de oude dag dan bespaard worden. In onderstaande tabel is dit geïllustreerd door ook een berekening voor een 7% cumulatieve 10-jaars remigratiekans op te nemen, hetgeen correspondeert met een remigratiekans van 7 op de duizend per jaar die het CBS aanhoudt voor de gemiddelde 2e generatie allochtoon. Omgekeerd zou een lagere remigratiekans tot hogere kosten leiden. Er is geen rekening gehouden met (negatieve) zelfselectie bij remigratie, met andere woorden, met een scenario dat uitkeringsgerechtigden die niet met behoud van uitkering kunnen remigreren minder vaak remigreren.

Eventueel kan men de gevonden bedragen voor eerste generatie asielmigranten nog verhogen met een schatting voor de kosten van de asielprocedure en de aanloopkosten van de inburgering, zoals leningen/giften voor woninginrichting, inburgering, taalcursussen en de eventuele daaruit voortvloeiende schuldsaneringtrajecten. De laatste post van aanloopkosten zal naar verwachting in dezelfde orde van grootte liggen als de 7 duizend euro inburgeringkosten die al in het model in CPB 2003 is opgenomen en kan dus waarschijnlijk achterwege blijven.

Het schatten van een kostenpost voor de asielprocedure moet zo gebeuren dat er geen dubbeltelling plaatsvindt in relatie tot de schatting van de overheidsafhankelijkheid zoals beschreven onder het kopje "Aanpassen van transfers en tax voor asielmigranten". De kosten voor de asielprocedure zou men moeten toerekenen naar de immigranten die een status krijgen en hun nareizigers. Voor een erkenningpercentage van 70% en een nareiziger factor van 1,8 zoals gehanteerd in de Kernprognose 2015-2060: hoge bevolkingsgroei op korte termijn betekent dit dat voor \( \frac{1}{0,7 \times 1,8} \approx 80\% \) moet worden toegerekend aan de uiteindelijke statushouders en hun volgmigranten. Een precieze berekening zou gemaakt kunnen worden op basis van begrotingen van desbetreffende overheidsorganen in combinatie met informatie over de omvang van de asielstroom. Het bedrag wordt tentatief geschat op enkele tienduizenden euro's.

De kosten van een asielmigrant gewogen naar het gehanteerde immigratieprofiel zijn voor het scenario Midden-Midden dus - uitgaande van een 10-jaars cumulatieve remigratiekans van 40% - 274 duizend euro voor de eerste generatie, eventueel vermeerderd met enkele tienduizenden voor de procedurekosten. Omdat de kosten ook betrekking hebben op volgmigranten die gemiddeld genomen een lagere remigratiekans hebben als ze niet-westers zijn (zie Figuur 3.1.1, let op gaat om 6-jaars remigratiekans) hebben is voor een completer beeld ook een kolom opgenomen met 38% remigratiekans. Ter indicatie: "voor elke 5,6 extra asielmigranten kwam er in de periode 2001–2013 één extra gezinsmigrant naar Nederland" en gezinsmigranten hebben een 10-jaars remigratiekans van slechts ongeveer 25%. Dit zou de totale gewogen remigratiekans op circa 38% brengen. De kosten komen daarmee op 287 duizend euro, eventueel vermeerderd meer eerder genoemde procedurekosten.

Voor de tweede generatie zijn deze kosten bij een cumulatieve 10-jaars remigratiekans van 8% en bij 50% integratie in totaal 310 duizend euro. Het is belangrijk om te beseffen dat deze kosten worden toegerekend naar het heden door ze in contante waarde uit te drukken, maar dat ze niet in totaliteit direct op het overheidsbudget drukken. Het is meer te vergelijken met het aangaan van een langlopende financiële last door de overheid die voor een groot aantal jaren op de begroting drukt.

 

Conclusie

Asielmigranten kosten volgens deze berekening over hun gehele verblijfsduur gemiddeld ongeveer 300 duizend euro. Afhankelijk van uiteenlopende aannamen betreffende de transfers en tax en enkele tienduizenden procedurekosten liggen de totale kosten voor de eerste generatie in een range van 250 duizend tot 350 duizend euro. Voor de tweede generatie liggen de kosten in een iets bredere range van 200 duizend tot 400 duizend euro bij een redelijke mate van integratie van 40% à 60% en de huidige remigratiekansen.

Dat is veel geld, maar in vergelijking met ander onderzoek (zie tabel hieronder afkomstig van blz. 346) niet overdreven veel. Deze tabel (die onderdeel is van een grotere tabel) bevat vergelijkbare berekeningen (dus inclusief publieke goederen als defensie) voor de bijdrage van immigranten in de VS. Ondanks dat de VS een beperktere verzorgingsstaat heeft dan Nederland kosten immigranten met opleidingsniveau high school (HS) of lager (<HS) bedragen in de range van 100 tot 400 duizend dollar. Een groot deel van de asielmigranten in Nederland zijn laaggeschoold of doen laaggeschoold werk en vallen dus in één van deze twee categorieën HS of <HS.

In onderstaande tabel is ook te zien dat zelfs immigranten met some college (SomCol) gemiddeld genomen een negatieve fiscale bijdrage leveren vanwege de kosten verbonden aan de tweede generatie. Pas immigranten met een Bachelors degree of hoger leveren een positieve bijdrage aan de schatkist.