demo-demo
Image Decription Image Decription Image Decription

 

Belangrijke bevindingen uit het scenario model

Loslaten automatische assimilatie van CBS leidt tot heel andere bevolkingsopbouw
In onderstaande afbeelding is te zien wat tot welke verschillen de invoering van assimilatiekansen vanaf de eerste generatie leidt ten opzichte van de automatische totale assimilatie van de derde generatie die het CBS hanteert. In het model is het aantal autochtonen (inclusief de geassimileerde autochtonen) iets hoger dan volgens de CBS prognose. De belangrijkste verschillen zitten in de herkomst van geassimileerde autochtonen. In het model zijn dat relatief veel vaker geassimileerde immigranten uit Latijns-Amerika (inclusief de Antillen en Suriname) en het westen omdat die in het model veel grotere assimilatiekansen zijn toegekend dan de immigranten uit Afrika (inclusief Marokko) en AziŽ (inclusief Turkije). De totale bevolking is volgens het model een paar procent groter dan volgens de CBS prognose. Het totaal aantal allochtonen (CBS) oftewel niet-geassimileerde immigranten (model) zijn nagenoeg gelijk, maar in het model zijn het veel vaker immigranten en hun nakomelingen uit AziŽ en Afrika.


Immigratie kost in vrijwel alle gevallen geld
Door de uitgebreide verzorgingsstaat is Nederland niet in staat om laag- en middengeschoolde immigranten te absorberen op een manier dat ze een positieve bijdrage kunnen leveren aan de overheidsfinanciŽn. Volgens CPB berekeningen uit 2003 had de gemiddelde Nederlander destijds bij geboorte over zijn gehele leven 18 duizend euro netto profijt van de verzorgingsstaat. Anders gezegd, de gemiddelde Nederlander kostte de schatkist toen bij geboorte 18 duizend euro over zijn gehele leven (vergelijk voor recentere cijfers met het CPB-rapport Minder zorg om vergrijzing). Een immigrant die qua arbeidsmarkt en uitkeringgebruik even goed of slechter presteert dan de gemiddelde Nederlander (inclusief huidige immigranten) kost daarom meestal geld.

De volgende conclusie is daarom essentieel: Het is vrijwel altijd economisch schadelijk om de bevolking te laten groeien door immigratie als de immigranten niet substantieel betere arbeidsmarktprestaties laten zien dan de gemiddelde Nederlander.

 

Bron: SCP Jaarrapport Integratie 2016


Niet-westerse immigratie
Met name niet-westerse immigranten hebben gemiddeld ongunstige arbeidsmarktkarakteristieken. Opleiding, arbeidsmarktparticipatie en inkomen zijn relatief laag en het uitkeringsgebruik is relatief hoog. Onderstaande afbeelding laat bijvoorbeeld zien dat niet-westerse immigranten met het migratiemotief 'arbeid' een daling van de participatie laten zien van circa 75% bij binnenkomst naar minder dan 50% na 15 verblijfsjaren.

Vanwege de ondergemiddelde arbeidsmarktprestaties dragen niet-westerse immigranten gemiddeld negatief bij aan de schatkist. Met de tweede generatie gaat het gelukkig beter, maar ook zij hebben de achterstand op de gemiddelde Nederlander nog lang niet ingelopen. Ook bij de derde generatie zijn voor veel groepen onderwijsachterstanden (zie bovenstaande afbeelding) die een voorbode zijn van ondergemiddelde arbeidsmarktprestaties.

 


Bron: WRR Policy Brief 4: Geen tijd te verliezen
 

Asielmigratie is zeer kostbaar
Asielmigranten dragen sterk negatief bij aan de overheidsfinanciŽn. De bijstandsafhankelijkheid is ook na zes of meer verblijfsjaren hoog en varieert per herkomstgroep van circa 20% tot 60%. Weinigen werken en zelfs na 15 verblijfsjaren heeft slechts ongeveer een derde een baan van 30 uur of meer, zoals in bovenstaande afbeelding te zien is. Ook is de armoede onder deze groep erg hoog. De netto-bijdrage van asielmigranten is dan ook veel negatiever dan die van de gemiddelde niet-westerse immigrant.

Deze kosten moeten beslist niet onderschat worden. Het bedrag voor de primaire asielmigrant varieert met de leeftijd van binnenkomst en herkomstgroep en ook met de remigratiekansen, maar ligt gemiddeld in de orde van grootte van enkele tonnen over de resterende verblijfsduur. Maar behalve de primaire asielmigranten komen er ook zogenaamde nareizigers. En bij niet-westerse immigranten zetten de achterstanden zich ook voort in de tweede generatie en en mogelijk ook de derde generatie en ook daaraan zijn kosten verbonden. Al met al kunnen de kosten dus flink oplopen.

In onderstaande grafiek is het netto profijt van de overheid weergegeven van asielmigranten en arbeidsmigranten uit niet-westerse landen, Oost-Europa en overige westerse landen zowel voor de eerste generatie als de tweede generatie. Deze kosten worden bepaald door belasting afdrachten minus de kosten voor bijvoorbeeld verzorgingsstaatarrangementen, onderwijs veiligheid en dergelijke. Bij primaire immigranten gaat het over het gemiddelde profijt voor de resterende verblijfsduur, bij de tweede generatie gaat het over het profijt over het gehele leven.

Met name de kosten van asielmigratie zijn fors. De kosten van de ruim 100 duizend asielzoekers die naar schatting worden toegelaten tijdens het kabinet Rutte II zijn becijferd op ongeveer 70 miljard euro. Dat zijn dan de kosten voor de asielzoekers die uiteindelijk worden toegelaten (asielmigranten), de nareizigers en de in Nederland geboren tweede generatie. Deze kosten drukken niet allemaal direct op de begroting. Het gaat namelijk om kosten voor bijvoorbeeld uitkeringen en dergelijke die over de loop van de tijd gemaakt zullen worden.

 

NB: Merk op dat in bovenstaande afbeelding de tweede generatie bij arbeidsmigratie soms meer profijt heeft dan de eerste. Dat komt omdat de eerste generatie vaak op een gunstige leeftijd immigreert, bijvoorbeeld rond de 25 jaar en ook veel grotere remigratiekansen heeft. Het komt er op neer dat voor veel van hen de kosten van onderwijs al gedekt zijn door het land van herkomst en men nog veel jaren voor de boeg heeft als belastingbetaler en vaak al weer huiswaarts keert voor de kosten voor de oude dag beginnen.

Westerse - en dan vooral Oost-Europese - immigratie kost geld
Westerse immigratie draagt gemiddeld negatief bij aan de schatkist, als men uitgaat van de huidige (2016) arbeidsmarktprestaties en het uitkeringgebruik. Dit geldt vooral voor immigratie uit Oost-Europa. Bij deze groep neemt het gebruik van bijstandsuitkeringen toe met de verblijfsduur in Nederland. Op dit moment is het bijstandsgebruik bij Oost-Europeanen bijvoorbeeld drie maal hoger dan gemiddeld. Het uitkeringgebruik van Bulgaren komt bijvoorbeeld in de buurt van dat van Surinamers, zoals onderstaande afbeelding laat zien. Daarom zijn de arbeidsmarktprestaties en het uitkeringgebruik van Oost-Europeanen in het model gepositioneerd tussen niet-westerse en westerse immigranten. Omdat ook het gemiddeld inkomen laag is, dringt zich een parallel op met de gastarbeid van de jaren zestig. Toen profiteerden werkgevers voor een relatief klein bedrag van de komst van gastarbeiders. Toen de gastarbeiders overbodig werden wentelden de werkgevers de enorme kosten af op de samenleving. Iets dergelijks lijkt nu weer te gebeuren.

 



Bron: SCP Jaarrapport Integratie 2016



Stijging percentage moslims zet door
Ook bij een zeer restrictief immigratiebeleid zoals in het scenario begrensd stijgt het percentage moslims nog aanzienlijk. Dat heeft twee oorzaken. In de eerste plaats hebben de herkomstgroepen met relatief veel moslims gemiddeld genomen een hoger kindertal dan herkomstgroepen met relatief weinig moslims, zoals de autochtonen, westerse immigranten, Antilianen en Surinamers. Deze laatstgenoemde groepen vertonen een tendens tot bevolkingskrimp.

In de tweede plaats is het aantal moslims onder de jeugd al lang hoger dan het landelijk gemiddelde van 6%, bij nul-jarigen ongeveer 10%. Onderstaande afbeelding maakt dat inzichtelijk. Daarnaast is het aandeel vrouwen in de vruchtbare leeftijd ook relatief hoog. Uiteraard zijn toekomstberekeningen voor het aantal moslims sterk afhankelijk van de toekomstige ontwikkeling van secularisatie, die in het model op basis van de beschikbare gegevens op 5% is gesteld.