demo-demo
Image Decription Image Decription

Demografisch model

Het demografisch model van demo-demo (vanaf nu kortweg aangeduidt als 'het model') is tot stand gekomen door publiek beschikbare informatie van het CBS en het SCP te combineren, aangevuld met andere bronnen. Het model is zoveel mogelijk ingepast in de bestaande informatie van deze overheidsbureaus. De basis vormt een demografisch model op basis van CBS gegevens. De gegevens aangaande integratie en assimilatie zijn met name afkomstig van het SCP.

Het demografisch model is gebaseerd op de Bevolkingsprognose 2014–2060 van het CBS en dan in het bijzonder op de informatie uit CBS-Statline en uit het document: Bevolkingsprognose 2014–2060: veronderstellingen migratie. Vanaf nu wordt dit kortweg aangeduid als 'de CBS-prognose'. Allereerst is een demografisch model gebouwd met als basis ingrediënten geboorte, sterfte, migratie en transitie (secularisatie en assimilatie). In dit model wordt de populatie opgevat als twee getallenrijen (één vector voor vrouwen en één voor mannen) van leeftijdsgroepen (voor alle leeftijden van 0 tot en met 99 jaar). Verder worden in dit model groepen onderscheiden naar herkomst, generatie (voor immigranten), religie (vooralsnog alleen moslim en niet-moslim) en migratiemotief.

Benchmarkmodel

Met de CBS-prognose als uitgangspunt is een basismodel gemaakt, dat vanaf nu benchmarkmodel wordt genoemd. De basis voor herkomst is gevormd door de CBS-indeling Autochtoon, Westers, Afrika, Azië, Latijns-Amerika, Marokko, Antillen, Suriname en Turkije. Om de grote verschillen in vruchtbaarheid tussen Sub-Sahara Afrika en de rest van de wereld te kunnen verdisconteren is Afrika opgedeeld in Noord-Afrika en Sub-Sahara Afrika. Verder is de CBS-categorie Westers opgedeeld in Oost-Europa en Westers Overig om het effect van immigratie uit Oost-Europa te kunnen onderscheiden.

Daarnaast zijn Sub-Sahara Afrika en Azië opgedeeld in een islamitisch en een niet islamitisch deel om religie te kunnen bestuderen. Dit is gedaan door op basis van het CIA factbook een onderscheid te maken tussen landen met een overwegend Islamitische bevolking en overige landen. Voor enkele zeer bevolkingsrijke landen (o.a. Nigeria en India) is de bevolking naar rato toegewezen aan het islamitisch dan wel het niet-islamitisch deel van het betreffende continent.

Wat betreft migratiemotief is er een onderscheid gemaakt tussen de categorie asiel en de categorie ‘arbeid/studie’, vanaf nu kortweg arbeid genoemd. Onder de eerste categorie vallen de asielzoekers en hun volgmigranten. Voor het aantal nareizigers zijn CBS-schattingen aangehouden. In het benchmarkscenario zijn de aannames over het aantal asielmigranten overgenomen uit de CBS-prognose. Dit komt neer op 8 duizend asielmigranten op lange termijn en op korte termijn wat meer. Onder de categorie arbeid vallen naast arbeidsmigranten ook studiemigranten en de overige motieven (zoals au-pairs) en de daaruit volgende gezinsmigranten. De aantallen in de categorieën asiel en arbeid zijn met behulp van de computer zo goed mogelijk aangepast aan de veronderstellingen van de CBS-prognose.

Wat betreft generatie is gebruik gemaakt van het onderscheid dat in de Bevolkingsprognose 2014–2060 is gemaakt tussen de eerste en tweede generatie. Daarnaast is op basis van een recente publicatie van het CBS ook een inschatting gemaakt van het aantal derde generatie immigranten. Het CBS heeft deze gegevens in nogal grove leeftijdscategorieën gegeven en daarom zijn de data verdeeld over de leeftijden 0 tot en met 99 jaar op een manier die meer aansluit bij een natuurlijke bevolkingsopbouw, zonder de totalen te veranderen. Voor de westerse allochtonen uit deze dataset lijkt het aannemelijk dat er nogal wat personen van boven de 50 jaar niet in de dataset zitten (omdat de gegevens gaan tot 50 jaar). Omdat de vrouwen van dit onzichtbare deel van de westerse allochtonen nog maar nauwelijks kinderen zullen krijgen is de lange termijn demografisch impact gering en er is niet geprobeerd de data boven de 50 jaar aan te vullen. Deze derde generatie is afgetrokken van de categorie autochtonen. Er is geen data beschikbaar voor de vierde generatie en hoger.

Geboorte, sterfte en migratie

De leeftijdsprofielen voor geboorte, sterfte en migratie zijn als volgt samengesteld. De sterftekansen zijn overgenomen van de sterftekansen prognose tot 2060 uit CBS-Statline. De geboorteprofielen zijn berekend door het aantal levendgeborenen naar leeftijd van de moeder te delen door het aantal vrouwen in de bevolkingsgroep van de overeenkomstige leeftijd (gemiddelde over de jaren 2012-2015). Ook zijn er op soortgelijke wijze immigratieprofielen en emigratieprofielen berekend (gemiddelden over de jaren 2013-2016). Dit laatste wijkt af van het CBS-model omdat zij oudere emigratieprofielen gebruiken (gemiddelden over de jaren 2002-2003).

De vruchtbaarheid is overgenomen uit de CBS-Statline prognose 2014-2060. Deze vruchtbaarheidscijfers zijn verdeeld over de negen hiervoor genoemde herkomstgroepen. Hierbij is op basis van informatie uit de World Population Prospects 2015 revision van de Verenigde Naties gecorrigeerd voor de aanzienlijke verschillen in vruchtbaarheid die bestaan tussen Azië islamitisch deel (+0,055) en Azië overig (-0,05) en tussen Noord-Afrika (-0,1) en Sub-Sahara Afrika (+0,02) uitgaande van een weging naar relatief bevolkingsaandeel in 2016. Voor de scenario’s met een hogere primaire immigratie dan het benchmarkscenario is voor de meermigratie een correctie uitgevoerd door een gewogen gemiddelde te nemen van de referentievruchtbaarheid in de CBS-prognose en een (deel van) de uit de World Population Prospects 2015 revision van de Verenigde Naties afgeleide ontwikkeling van de vruchtbaarheid in herkomstgebieden (gewogen naar bevolkingsomvang).

De empirische invulling van de verdeling van migranten over herkomst, religie en motief is gedaan op basis van bronnen van het SCP en CBS, onder andere de publicatie Bevolkingsprognose 2014–2060: veronderstellingen migratie, aangevuld met eigen berekeningen op basis van de CBS Statline dataset over migratie naar motief. De percentages moslims onder de verschillende herkomstgroepen zijn geschat op basis van de beschikbare literatuur, o.a. Religieuze betrokkenheid van bevolkingsgroepen 2010-2014 (CBS), Nederlandse moslims blijven in de minderheid (NIDI) en Moslim in Nederland (SCP). Het percentage moslims vanaf 15 jaar is gelijkgesteld aan de schatting van het CBS (5,0%). In het model zijn overigens moslims van alle leeftijden meegenomen (6,7%) om secularisatie adequaat te kunnen modeleren.

Assimilatie (door zelfidentificatie met Nederland) en secularisatie

Daarnaast is er in het demografisch model rekening gehouden met transities. Met transities wordt overgang naar een andere groep bedoeld. In de praktijk komt het neer op secularisatie en assimilatie. Secularisatie is overgang van de groep moslims van een bepaalde herkomst naar de groep niet-moslims van dezelfde herkomst. Assimilatie is de overgang van een bepaalde herkomst naar de groep autochtonen met dezelfde religie.

Met name assimilatie is een belangrijk verschil met het CBS-model want daarin is assimilatie afwezig bij generatie één en twee terwijl er volledige automatische assimilatie is bij generatie drie en verder. In het model worden ook de hogere generaties (drie en hoger) onderscheiden en wordt de overgang naar de groep autochtonen voor alle generaties bepaald door de assimilatiekans.

De assimilatiekansen zijn geschat op basis van beschikbare gegevens van onder andere het SCP. In het SCP-rapport Werelden van verschil kunnen met name in de tabel op pagina 12 aanknopingspunten gevonden worden voor de mate van assimilatie van de vier ‘klassieke’ herkomstgebieden Turkije, Marokko, Suriname en Antillen, door de categorieën ‘assimilatie’ en ‘nadruk op Nederland’ samen te nemen. Hiermee wordt dan een iets ruimere definitie van assimilatie aangehouden als het SCP doet. Een ander goed uitgangspunt voor het schatten van de mate van assimilatie is het gebruik van de identificatiecategorie ‘zwak met herkomstgroep, sterk met NL’ uit Figuur 8.1 en Figuur 8.2 (zie afbeelding hieronder) in de SCP publicatie Integratie in zicht? Dit laatste is als uitgangspunt genomen van een schatting van de mate van assimilatie door zelfidentificatie. Het voordeel van de data uit Integratie in zicht? is dat het inzicht geeft in de verschillen tussen de eerste en tweede generatie. Op basis van het SCP-rapport Vluchtelingengroepen in Nederland (2011) zijn schattingen gemaakt voor een aantal typische asiellanden uit het Islamitisch deel van Azië en Sub-Sahara Afrika.

Helaas is dergelijke informatie over zelfidentificatie niet voor elk land beschikbaar. Door de assimilatiekansen van de onbekende herkomst regio's te relateren aan wat wel bekend is, is ook een inschatting gemaakt voor deze regio's. De assimilatiekansen voor het islamitisch deel van Azië zijn gebaseerd op die van Turkije en de bekende landen uit die regio, die van Noord-Afrika zijn gebaseerd op Marokko en die van Sub-Sahara Afrika zijn gebaseerd op Somalië en hetgeen bekend is van andere landen uit die regio. De kansen voor het niet-islamitische deel van Azië zijn iets hoger geschat omdat zich onder deze groep meer mensen bevinden die succesvol zijn in het onderwijssysteem (o.a. Chinezen). Voor Latijns-Amerika zijn de kansen nog iets hoger geschat vanwege een geringere culturele afstand en een grote geneigdheid tot gemengd huwen (CBS). Directe vergelijking met hetgeen bekend is van Surinamers en Antillianen is niet goed mogelijk omdat gedeelde historie, oriëntatie op Nederland voorafgaand aan migratie en kennis van de Nederlandse taal anders zijn. De kansen zijn geschat voor de eerste drie generaties en voor volgende generaties gelijk gesteld aan de 3e generatie. Daar waar geen concrete cijfers beschikbaar waren is geprobeerd de zelfidentificatie te schatten op basis van meer indirecte bronnen (onder andere over Chinezen, Latijns-Amerikanen, Ghanezen en Afrikanen in het algemeen).

Bron: SCP-rapport Integratie in zicht?

 

Op soortgelijke wijze (als bij assimilatie) zijn de secularisatiekansen geschat op basis van met name de SCP publicatie Moslim in Nederland Tabel S.1 en Tabel 4.11 plus de toelichting onder deze tabel. Omdat het rapport weinig aanwijzingen bespeurt voor secularisatie is de kans om te seculariseren voor de eerste en tweede generatie gelijk gesteld. Vervolgens is het gemiddelde genomen van de secularisatiekans van Turken, Marokkanen en het gemiddelde van de overige groepen in deze tabel, m.u.v. de Iraniërs. Dit laatste is gedaan omdat volgens het SCP deze groep juist door zijn migratiegeschiedenis een relatief groot aantal Christenen en ongelovigen telt en derhalve niet representatief is. Bij Irakezen is gecompenseerd voor het feit dat 20% christelijk is. De secularisatiekans is geschat op 5% per generatie en voor alle moslims gelijk gesteld. Uiteraard zijn toekomstberekeningen voor het aantal moslims sterk afhankelijk van de toekomstige ontwikkeling van secularisatie.

NB: in de berekeningen van de assimilatie- en secularisatiekansen is rekening gehouden met het cumuleren van de kansen van generatie op generatie, men kan dus niet zomaar gemiddelden nemen.

IJken van het Benchmarkmodel

Het ontwikkelde demografisch model is een model dat los staat van het CBS-model. Maar voor het benchmarkmodel zijn een aantal parameters zo ingesteld dat de ontwikkeling van de verschillende herkomstgroepen (zie hierboven) zoveel mogelijk parallel loopt met de CBS-prognose. In eerste instantie is dit gedaan door daar waar mogelijk Statline-gegevens en parameters over te nemen uit de CBS-prognose en uit Bevolkingsprognose 2014–2060: veronderstellingen migratie en verder door deze zelf te berekenen op basis van CBS gegevens. Het gaat dan bijvoorbeeld immigratie en om remigratiekansen van eerste en tweede generatie immigranten. Vervolgens is het verschil tussen het model en de CBS-prognose verder geminimaliseerd door met de computer per herkomstgroep een aantal parameters voor migratie te schatten om het aantal eerste en het aantal tweede generatie immigranten zoveel mogelijk op één lijn te brengen met de CBS prognose. Dit is gedaan door met een genetisch algoritme waarmee de kwadratensom van de verschillen voor elk jaar in bevolkingsomvang tussen model en CBS-prognose is geminimaliseerd.

De verdeling van asielmigratie en arbeid- en studiegerelateerde immigratie over de acht herkomstgebieden is afgeleid uit dit rapport en eigen berekening op basis van CBS Statline gegevens over immigratie naar motief. Over het algemeen zorgden de gekozen percentages voor de verdeling over de herkomstgebieden voor een zeer goede fit met de CBS prognose, in een aantal gevallen (Azië, Latijns-Amerika) zelfs voor een vrijwel perfecte fit (zie onderstaande afbeelding, de lijnen bedekken elkaar vrijwel volledig). Ook voor Afrika en het westen is de fit goed. Deze vier gebieden zijn het belangrijkst omdat in de scenario's met de migratie uit deze gebieden wordt gevarieerd.

Voor de vier klassieke herkomstlanden is de fit iets minder goed omdat het CBS modelleert op een manier die net anders is dan in het model. Voor deze landen zou wellicht een betere fit gerealiseerd kunnen worden door de data uit Prognose immigratie en emigratie; herkomstgroepering, 2014-2059 mee te nemen. Maar zoals gezegd is dit van ondergeschikt belang omdat deze groepen over alle scenario's constant zijn.

In het model worden de CBS-definities eerste en tweede generatie allochtoon niet gebruikt. Door de wens om zoveel mogelijk te benchmarken op de CBS-prognose is het wel noodzakelijk om een schatting te geven van het aantal eerste en tweede generatie allochtonen. Het aantal eerste generatie allochtonen is tamelijk rechtstreeks af te leiden uit immigratie, emigratie en sterfte. Het aantal tweede generatie immigranten is in de eerste plaats een resultante van de aan het CBS ontleende vruchtbaarheid en sterftekansen. Tweede generatie allochtonen zijn dus in beginsel geïnterpreteerd als 'de kinderen van eerste generatie allochtonen'. Verder hangt de ontwikkeling van de tweede generatie af van hun emigratiekansen. Het CBS geeft een gemiddelde emigratiekans van rond de 7 promille voor deze groep en dit is aangehouden in het model. Daarnaast zijn er enkele andere processen die leiden tot afwijkingen van het aantal tweede generatie allochtonen dat men zou krijgen puur op basis van vruchtbaarheid, sterftekansen en emigratie. Het gaat daarbij om gemengd huwen en migratie huwelijken. Deze verschijnselen zijn op basis van de beschikbare empirische data zo goed mogelijk gemodelleerd. Al met al geeft dit een goede fit tussen het benchmarkmodel en de CBS-prognose voor zowel het aantal eerste als tweede generatie allochtonen.